Na een natte winter en een reeks herfstige voorjaarsweken fietsen mijn jongste dochter en ik nu eens zónder tegenwind en striemende regen naar de sporthal aan de zuidkant van de stad. Zij met haar badmintonracket, ik met mijn laptop in mijn tas. Ja, da’s waar ook, denk ik, het kan ook gewoon een ontspannend fietstochtje zijn.
Mijn dochter gaat bijna op schoolkamp en rebbelt over de tent die ze zélf gaan opzetten, over spelletjes die ze vast en zeker gaan spelen en dat er een kampvuur komt als iedereen zich goed gedraagt. Een kampvuur! Een kampvuur!
Zo peddelen we vol verwachting de sporthal tegemoet als er er aan onze linkerhand een auto van een parkeerplaats rijdt. Aan onze linkerhand en uit een uitrit. Op dertig meter. Op twintig meter. De auto gaat nu remmen. Toch? Op tien meter, op vijf meter. Hé! Hé! Ik schreeuw, ik zie de bestuurster met haar navigatiescherm bezig, ik maai met mijn armen, ik rem, ik trek mijn dochter aan haar schouder.
Hè?! Wat?! Daar staat de auto, half op het fietspad. En daar ligt mijn dochters fiets, het voorwiel onder het achterwiel van de auto. En daar krabbelt mijn dochter overeind. Ongedeerd, lijkt het. Gaat het? Gaat het? Ik gooi mijn eigen fiets neer en grijp haar vast. Met grote ogen kijken we om ons heen. Hè? Hoe kan dit?
De knipperlichten van de auto gaan aan, het portier gaat open, de bestuurster komt op ons af gestormd. O! O! Wat spijt het haar, ze keek he-le-maal niet uit. Gaat het? Ja, gaat het écht? De vrouw staat trillend op haar benen. Mag ze mijn nummer? Ze wil het goedmaken, ze wil, ze wil… O, wat vindt ze dit ont-zet-tend erg!
Als we mijn dochters voorwiel van onder de autoband hebben bevrijd, blijkt dat soepel en kaarsrecht te draaien, de zon schittert in de velg én de spaken. Mijn dochter stapt alweer op haar fiets, de bestuurster kijkt verdwaasd toe. Ik zeg haar dat ze mijn nummer niet hoeft te hebben omdat er éigenlijk niets gebeurd is en dat we maar doorrijden omdat de badmintontraining zo begint.
En dat dit kennelijk onze geluksmiddag is.
